Jallianwala Bagh of Amritsar in het werk van E.M Forster, Paul Scott en Salman Rushdie

Eind 1919 verschijnen in Nederlandse kranten de eerste artikelen over de gebeurtenissen te Amritsar in Brits-Indië[1]: zo meldt De Nieuwe Rotterdamsche Courant van dinsdag 16 december 1919 dat de Britse krant de Times geschokt gereageerd heeft op een schietpartij in Brits-Indië. Men is in Engeland niet alleen geschokt vanwege de gebeurtenis zelf, maar ook vanwege het feit dat het incident pas maanden later bekend is geworden. De krant wijst de lezer erop dat de slachting plaats vond binnen de context van een reeks van gebeurtenissen. De Times wil dan ook geen oordeel uitspreken, maar uit Dyers verklaring schijnt zijn gedrag onverdedigbaar en het lelijkste was volgens de krant wel dat hij door liet schieten terwijl de menigte probeerde te vluchten. Dyer had schijnbaar een overdreven idee van zijn eigen bevoegdheden en wat nodig was om de orde te herstellen.[2]

Wat was er gebeurd? In de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog veranderde het politieke klimaat in Brits-Indië drastisch: Economische stagnatie en politieke restricties, de Britse belofte om aan te sturen op Indiaas zelfbestuur en de woedende reactie van de Islamieten op de ontmanteling van de Ottomaanse staat droegen bij aan een gespannen sfeer.[3] In de Punjab kwam het uiteindelijk tot bloedvergieten. Op 13 april 1919 liet de Britse generaal Reginald Dyer (1864-1927) in Amritsar het vuur openen op een vreedzame menigte. Zij waren bijeen voor een protestactie in de Jallianwala Bagh, een stuk land alleen goed toegankelijk via een ingang die de Britten blokkeerden.[4] Over het dodental zijn de Britse en Indiase bronnen het niet eens. Amritsar staat voor veel Indiërs symbool voor de Britse onderdrukking en de Indiase strijd voor onafhankelijkheid. Op 13 april 1961 werd in de Jallianwala Bagh dan ook een monument ter herdenking van de schietpartij ingewijd door de president van India, Rajendra Passad. Elk jaar wordt Amritsar op 13 april herdacht. Er worden dan bij het monument toespraken gehouden en kransen gelegd. Amritsar is dan ook bij uitstek een mooi voorbeeld van een lieu de mémoire.[5]

De slachting in de Jallianwala Bagh wordt gezien als een keerpunt in de geschiedenis van Brits-Indië. Zowel Britse als Indiase schrijvers verwerkten deze gebeurtenis dan ook in hun romans.[6] Zo publiceerde in 1924 de Engelse schrijver Edward Morgan Forster (1879-1970) zijn roman A Passage to India. Tussen 1966 en 1975 publiceerde de Engelse schrijver Paul Scott (1920-1978) zijn tetralogie The Raj Quartet.[7] In 1981 publiceerde de op 19 juni 1947 in India geboren schrijver Salman Rushdie zijn Midnight’s Children. Dit essay zal trachten een beschrijving te geven van Amritsar als een lieu de mémoire aan de hand van bovengenoemde romans door de volgende vragen te beantwoorden: Welke herinneringen aan Amritsar hebben de personages van Forster, Scott en Rushdie? Komen de herinneringen van hun personages overeen? Eerst zullen de romans en geselecteerde verwijzingen naar Amritsar per boek apart worden besproken. Een discussie en conclusie volgen.

A Passage to India

Forster bezocht Brits-Indië twee keer: van oktober 1912 tot maart 1913 en van maart 1921 tot november 1921. Hoewel hij in 1913 reeds begonnen was met schrijven, werd het boek pas in juni 1924 gepubliceerd. A Passage to India was de eerste roman die erkende dat de Britse overheersing eindig was.[8] De gebeurtenissen rondom de slachting te Amritsar die plaats vond tussen zijn twee bezoeken in, vormen een belangrijk onderdeel van zijn verhaal. De onrustige situatie in de fictieve Indiase stad Chandrapore, welke volgt op de vermeende aanranding van de Engelse Adela Quested en de arrestatie van de Indiase moslim dokter Aziz, focust de aandacht op de actuele situatie rondom de slachting te Amritsar. Forster lijkt echter bewust de naam Amritsar niet te hebben gebruikt.[9] De volgende uitspraak refereert naar de inzet van Gurkha’s die op 13 april 1919 het vuur opende:

‘English no good,’ he cried, getting his loyalties mixed. ‘Native troops for this country. Give me the  sporting type of native, give me Gurkhas, … Properly led, mind. I’d lead them anywhere.’[10]

Eerder, op 10 april 1919 werd een Britse vrouwelijke missionaris, Marcella Sherwood, in Amritsar aangevallen door een Indiase menigte.[11] Das (1977) wijst op de overeenkomst tussen de kruiporde van Dyer die na de aanval op de missionaris op 26 april 1919 werd ingesteld en de reactie van eerst Majoor Callender en mevrouw Turton na de vermeende aanval op Adela Quested in de roman van Forster:[12]

That’s what I say; I say there’s not such a thing as cruelty after a thing like this.’[13]

Waarop mevrouw Turton het volgende zegt:

Exactly, and remember it afterwards, you men. You’re weak, weak, weak. Why, they ought to crawl from here to the caves on their hands and knees whenever an Englishwoman’s in sight, they oughtn’t to be spoken to, they ought to be spat at, they ought to be ground into the dust, we’ve been far too kind with our Bridge Parties and the rest.’[14]

Vermeende daders van de aanval op de missionaris werden gegeseld. Na Amritsar wenste de Britse regering een beleid van moderatie en verzoening. Aan beiden wordt door een Britse ambtenaar in A Passage to India gerefereerd:[15]

‘He wanted to flog every native that he saw, but to do nothing that would lead to a riot or to the necessity for military intervention. The dread of having to call in the troops was vivid to him; soldiers put one thing straight, but leave a dozen others crooked, and they love to humiliate the civilian administration. … The Collector sighed. There seemed nothing for it but the old weary business of compromise and moderation.’[16]

Das (1977) wijst ten slotte nog op de overeenkomsten tussen Forsters beschrijving van een scene in de Chandrapore club met de werkelijke situatie in de Engelse club te Amritsar.[17] Er lijken geen directe verwijzing in A Passage to India te zitten naar het moment van de schietpartij van 13 april.[18]

The Raj Quartet

Op 15 augustus  1947 was India officieel een onafhankelijke staat geworden, maar Brits-Indië leefde door in fictie.[19] Scott schreef in The Raj Quartet vooral over de Britten in India. Het verhaal speelt zich af in de periode vanaf de Japanse aanval op Pearl Harbor tot de partitie van India. De auteur laat zijn personages voortdurend refereren naar de aprildagen van 1919 te Amritsar. Zo beschrijft een missionaris de aanval op de Britse missionaris Marcella Sherwood op 10 april 1919 en de kruiporder van 26 april ingesteld door generaal Dyer als volgt:

I am reminded’, she said, ‘of Miss Sherwood. Amritsar, 1919. She was a school superintended too. I never met her, she wasn’t Bishop Barnard, but Edwina met her I’m almost certain. She had such pretty Christian name. Marcella. Perhaps we missionaries are singled out because they see us as agents of the dark, although actually of light. She narrowly escaped with her life. A Hindu women rescued her, in that awful place, that little lane we sealed off afterwards and made people crawl down, on their bellies, in the dust and dirt, to punish them. I sometimes think none of that has been forgiven.[20]

Ook refereert Paul Scott naar de oorzaak van de rellen in 1919 en de gevolgen van Amritsar als een van de Britse hoofdpersonen de situatie kort na de Eerste Wereldoorlog uitlegt:

What is clear to me beyond any doubt is that we turned him [Ghandi] fundamentally into a power harmful to our policies when we resorted to the repressive measures of the Rowlatt Act, immediately after the Great War at a time when he and all Indians had every reason to expect a major advance towards self-government as a reward for co-operating so freely in the war with Germany. … What in hell was the good of declaring Dominion status as our aim for India in 1917 and not much more than a year later instituting trial without jury for political crimes and powers of detention at provincial level under the Defence of Indian Rules, ostensibly to deal with so-called anarchist but in practice to make any expression of free will and free opinion technically punishable? What kind of ‘dominion’ was that? Well, you remember the results: riots, and then General Dyer at Amritsar and a return to distrust and fear and suspicion, and Ghandi emerging as the Mahatma, the one man who might provide an answer – but now it was going to be an Indian answer, not a British one.[21]

Scott schetst daarmee het veranderende politieke klimaat in Brits-Indië. De economische stagnatie en de woedende reactie onder Islamieten op de ontmanteling van de Ottomaanse staat vermeldt hij niet.[22] Scott benoemt frequent de schietpartij van 13 april 1919 en refereert aan het geselen:

She had heard Indians say, although she had tried not to listen, that in those few days of   Brigadier Reid, things had been almost as bad as in the days of General Dyer in Amritsar in 1919. There had not been any indiscriminate shooting of unarmed civilians, … There had been no public whippings, as in General Dyer’s day, when youths were clapped to a triangle in the open street and flogged simply as suspects in an attack on an Englishwoman, but there were rumors that the youths who had been forcibly fed with beef had also been whipped and had now disappeared into the anonymous mass of those imprisoned with or without trial.’[23]

De  fictieve generaal Reid verdraait de feiten van de schietpartij in het volgende fragment:

‘Ordered to Amritsar, Dyer came to a conclusion which the historians … have described as fatal: the conclusion that in Amritsar there was to be found the very centre of an imminent armed revolt that could well lead to the destruction of our people and our property and the end of our Imperial rule. Learning that a crowd intended to foregather at a certain hour in a large but enclosed plot of ground called the Jallianwallah Bagh, Dyer prohibited the meeting by written and verbal proclamation in accordance with the rules laid down. He took personal command of the troops he sent to disperse it. His on-the-spot orders to disperse also having been defied, he then ordered the troops to fire. The Jallianwallah Bagh, from a military point of view, was a death-trap, and many civilians died, including women and children. Ever since the Dyer affair, the army had naturally become supersensitive to the issues involved, and we were now in the unhappy position of finding ourselves in what practically amounted to a strait-jacket.[24]

Dyer liet zonder waarschuwing het vuur openen.[25] Net als Forster verwijst Scott naar de rol die de Gurka’s speelden:

In 1919 he told her something of the troubles in the Punjab, but did not mention the massacre of unarmed Indian civilians by British-commanded Gurka troops in Amritsar.’[26]

De kritiek vanuit de Britse regering op generaal Dyer en de daarop volgende reactie van de Britten in India wordt geregeld door personages opgerakeld, zo ook in het volgende fragment:

after there had been a committee of inquiry into the massacre in the Jallianwallah Bagh, a report by the Indian National Congress, a debate in the House of Commons on the findings of the Army Council, and General Dyer had been retired on half-pay (disgraced, whereas twelve months before he had been hailed as the savior of India and was still thought of such by all right-thinking people), Mabel Layton surprised everybody by refusing to identify herself with the ladies of Pankot and Ranpur who busied themselves collecting money for the General Dyer fund.’[27]

Het overlijden van generaal Dyer op 23 juli 1927 wordt besproken:

He sites as an example of depressive and obsessive behaviour the case of General Dyer, who shot all those unarmed Indians in Amritsar in nineteen nineteen, believing that by doing so he was saving the empire. Habbibullah is convinced that the poor old fellow’s brain was inflamed by the accumulation in the bloodstream of the poisons of chronic amoebic infection. …’ ‘Actually I believe General Dyer had arterial sclerosis and died of it quite a few years later, but it’s one of the slow diseases, isn’t it? Someone did once suggest to me that it could have infected his judgment at Jallianwallah.’[28]

De lezer krijgt zodoende een goed beeld van de gevolgen die Amritsar had voor de verdere carrière van Dyer. Scott vermeldde ten slotte ook aan de dood van een andere hoofdrolspeler van de schietpartij te Amritsar, Sir Michael Francis O’Dwyer (1864-1940):

when all that was needed to scare the Indians into toeing the line and getting on with the war was a regiment or two of British infantry and a brigadier as spunky as old Brigadier-General Dyer who had mown down hundreds of bloody browns in Amritsar in 1919. No one cared to remind him that the Lt Governor of the Punjab who had stood by Dyer both at the time and in the years of Dyer’s subsequent disgrace had only this year been shot dead in London by an Indian in delayed retribution, in Caxton Hall of all places.’[29]

Scott lijkt in de volgende passage, waarin de Islamiet Sir Ahmed Akbar zijn zoon Mohammed Ali toespreekt, Dyer enigszins te verdedigen. Hij wijst ook op twee verschillende soorten Britten en op de stimulans die Amritsar vormde voor de Indiase onafhankelijkheidsbeweging:

‘[son Mohammed Ali] was inspired that year of the Jallianwallah Bagh massacre to join the Congress Party whose aim in that same year and for the same bloody reasons and under M.K. Ghandi’s leadership was reversed from independence by peaceful co-operation to independence as soon as possible by non-co-operation. ‘… You think Jallianwallah could never have happened if the British who talk freedom where not sincere. It happened because they are sincere. They have frightened their opponents with their sincerity. I do not mean us. We are not their opponents. Their opponents, the ones who matter but who will matter less and less, are also British. They are men like General Dyer. Why do you call that man a monster? He believed God had charged him with a duty to save the empire. He believed this sincerely, just as he believed sincerely that in Amritsar there was to be found an invidious threat to that empire…[30]

Midnight’s Children

In 1981 werd Midnight’s Children van Salman Rushdie gepubliceerd.[31] De grootvader van de hoofdpersoon van de Midnight’s Children, toepasselijk door Rushdie vernoemd naar dokter Aziz uit A Passage to India, is te Amritsar op het moment van de troebelen. Aziz refereert naar de achtergrond van de onlusten:

Doctor Aziz notices a soldierly young man in the street, and thinks – the Indians have fought for the British; so many of them have seen the world by now, and been tainted by Abroad. They will not easily go back to the old world. The British are wrong to try and turn back the clock. ‘It was a mistake to pas the Rowlatt Act,’ he murmurs. ‘[32]

Hij beschrijft de situatie in Amritsar op 7 april als volgt:

in Amritsar the Mahatma’s grand design is being distorted. The shops have shut; the railway station is closed; but now rioting mobs are breaking them up. Doktor Aziz, leather bag in hand, is out in the streets, giving help wherever possible. Trampled bodies have been left where they fell.’[33]

Op 13 april bevindt Aziz zich in de menigte van Jallianwala Bagh:

That afternoon, the streets are suddenly full of people, all moving in the same direction, defying Dyer’s new Martial Law regulations. … A compound can be anything from a wasteland to a park. The largest compound in Amritsar is called Jallianwala Bagh. It is not grassy. Stones cans glass and other things are everywhere. To get into it, you must walk down a very narrow alleyway between two buildings. On April 13th, many thousands of Indians are crowding through this alleyway. … fifty-one men enter the compound and take up positions, twenty-five to Dyer’s right and twenty-five to his left; and Aadam Aziz ceases to concentrate on the events around him as the tickle mounts to unbearable intensities. As Brigadier Dyer issues a command the sneeze hits my grandfather full in the face. ‘Yaaaaakh-thoooo!’ he sneezes and falls forward, losing his balance, following his nose and thereby saving his life. … The chattering stops and is replaced by the noises of people and birds. There seems to be no traffic noise whatsoever. Brigadier Dyer’s fifty men put down their machineguns and go away. They have fired a total of one thousand six hundred and fifty rounds into the unarmed crowd. Of these, one thousand five hundred and sixteen have found their mark, killing or wounding some person. ‘Good shooting,’ Dyer tells his men, ‘We have done a jolly good thing.’’[34]

Wanneer Aziz terug is bij zijn vrouw merken ze het volgende op:

‘It’s blood,’ he replied, and she fainted. When he brought her round with the help of a little sal volatile, she said, ‘Are you hurt?’ ‘No,’ he said. ‘But where have you been, my God?’ ‘Nowhere on earth,’ he said, and began to shake in her arms.’[35]

Discussie en conclusie

Forster heeft de gebeurtenissen in die aprildagen vrij summier verwerkt in zijn roman. Hij was echter in 1913, een paar jaar voor de gebeurtenissen in de Punjab, al begonnen met het schrijven van zijn roman. Ook kon hij niet overzien welke impact Amritsar zou hebben op de geschiedenis van Brits-Indië. Mogelijk dat Forster de invloed van de slachting op de Indiase onafhankelijkheidsstrijd niet geheel op waarde wist te schatten met de kennis van toen. Hij lijkt echter wel de moraal en opvattingen van de Britten ten tijden van Amritsar bewust in zijn boek verwerkt te hebben. Voor de lezer van nu, met vooral kennis van de slachting aangericht door Dyer, is dit moeilijk terug te lezen. De lezer lijkt slechts kennis te maken met de tijdsgeest van Brits-Indië. Terwijl de auteur met zorg de specifieke tijdgeest ten tijden van de slachting in Amritsar in zijn roman heeft verwerkt. Een link met het monument te Amritsar zullen de meeste lezers echter niet snel leggen.

Voor Scott vormt Amritsar het belangrijkste keerpunt in de geschiedenis van de Britten in Brits-Indië. Hij schrijft zijn romans in de periode net na de onafhankelijkheid en hij probeert het gedrag van de Britse overheersers in het recente verleden te begrijpen. Hij zoekt naar de Britse motieven van het zijn in India. Hij stelt uiteindelijk dat er twee Britse ideeën waren over India, en neemt dus ook een duale kijk in ten aanzien van Amritsar. Aan de ene kant is er de oude Raij welke door en door Edwardian en conservatief is, en vast wil houden aan de status quo. In Engeland zelf is echter na de Eerste Wereldoorlog de gedachte opgekomen dat het verkeerd was om die landen uit te buiten die heel goed zelf in staat zijn om zichzelf uit te buiten.[36] Afhankelijk van die kijk op Brits India wordt Amritsar aangepast: de eerste groep beschouwt Dyer als een held, de tweede groep verafschuwt de handelswijze van Dyer.

Rushdie’s roman behandelt de overgang van de Britse koloniale overheersing naar een onafhankelijk India en Pakistan. Zijn hoofdpersonen zijn Indiërs. Mishra (2007) beargumenteert dat de Amritsar schietscene  beïnvloed is door Bollywood. De tekst zou geschreven zijn in de vorm van een filmscript. De scènes zijn echter geen onderdeel van een realistische film, maar meer van een komische Bollywood of Hollywood slapstick.[37] We krijgen enerzijds geen serieuze Amritsar te zien, anderzijds is de scene toch ook weer doordrenkt van menselijke ellende. Dat gevoel wordt versterkt wanneer zijn vrouw hem vraagt waar hij geweest is. “Nergens op aarde”, antwoordt dokter Aziz op deze vraag. De acties van Dyer waren dus onmenselijk, niet te begrijpen. Daar waar Scott probeert Dyer wel te begrijpen, heeft Rushdie hier geen boodschap aan. Het is de Indiase visie van het gebeuren. Dyer staat voor symbool voor de onrechtvaardige arrogante Britse onderdrukkers. En vooral dit beeld lijkt te worden opgeroepen in ons geheugen, zonder de invloed van Bollywood, wanneer we stil staan bij de vraag waar het monument in Jallianwala Bagh voor staat.[38]

We kunnen dus concluderen dat Forster, Scott en Rushdie drie verschillende Amritsars beschrijven. Forster beïnvloedt vooral het tijdbeeld waarin de slachting van Amritsar plaats vond. Het boek is maar een paar jaar na de schietpartij voltooid. Er wordt nog geen expliciete link gelegd met de gedenkteken te Amritsar. Scott probeert ons vooral het zijn van de Britten in India te verklaren en daarmee ook de gebeurtenissen te Amritsar te verklaren. Hij geeft de meest volledige beschrijving van de gebeurtenissen te Amritsar in die aprildagen van 1919. Hij wil vooral begrijpen lijkt het, maar wel vanuit zijn eigen Britse visie. Hij nuanceert de beeldvorming rond het Indiase gedenkteken enigszins. Rushdie beschrijft de slachting vanuit zijn Indiase standpunt. Het gedenkteken is er één in een reeks van gedenktekens die hij meeneemt op weg naar de onafhankelijkheid en verder. Drie schrijvers dus met elk hun eigen achtergrond creëerde in hun eigen tijd hun eigen beschrijving van de lieu de mémoire Amritsar.

 

Literatuur

Das, G.K., E.M. Forster’s India (Londen 1977).

Forster, E.M., A Passage to India (Londen 1996).

Gopinath, Praseeda, ‘An Orphaned Manliness: The Pukka Sahib and the End of Empire in A Passage to India and Burmese Days’, Studies in the Novel, 41 (2009) 201-223.

Gurnah, Abdulrazak, ‘Introduction’ in: Abdulrazak Gurnah ed., The Cambridge Companion to Salman Rushdie (Cambridge 2007) 1-8.

Mishra, Vijay, ‘Rushdie and Bollywood cinema’ in: Abdulrazak Gurnah ed., The Cambridge    Companion to Salman Rushdie (Cambridge 2007) 11-28.

Moore, Robin, Paul Scott’s Raj (Londen 1990).

Mukherjee, Sujit, Forster and further (Bombay 1993).

Robb, Peter, A History of India (Hampshire 2002).

Rushdie, Salman, Midnight’s Children (Londen 2009).

Sayer, Derek, ‘British Reaction to the Amritsar Massacre 1919–1920’, Past and Present, 131 (1991)       130-164.

Swinden, Patrick, Paul Scott: images of India (Londen 1980).

Scott, Paul, The Jewel in the Crown (Londen 2009).

Scott, Paul, The Day of the Scorpion (Londen 2009).

Scott, Paul, The Towers of Silence (Londen 2009).

Scott, Paul, A Division of the Spoils (Londen 2009).

[1] Weliswaar had op 8 mei Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch Indië reeds gemeld dat het Indische leger zich gedurende troebelen schitterend had gedragen: “Enkele Indische militairen maakten ene pracht figuur bij de pogingen om de regering te helpen. Op een plaats in de Punjab droeg een Indische soldaat een gewonde Europeaan mijlen ver naar een veilige plaats.” De man-bap relatie die hier wordt geïmpliceerd speelde waarschijnlijk een belangrijke rol in Amritsar en dit thema wordt uitvoerig door Paul Scott in zijn romans verwerkt. Dit essay bespreekt vanwege pragmatische redenen – de omvang van dit essay zou de opgelegde restricties overschrijden – dit concept niet.

[2] Nieuwe Rotterdamsche Courant (dinsdag 16 december 1919)

[3] Robb, 184

[4] Gopinath, 207

[5] Ze is dus zowel materieel, functioneel en symbolisch een plaats. Voor het gemak worden in dit essay Amritsar en Jallianwala Bagh als synoniemen van elkaar gebruikt. Over het algemeen is Jallianwala Bagh te prefereren in verband met een andere belangrijke gebeurtenis in Amritsar. In 1984 vond in de Gouden Tempel een gewapende confrontatie plaats tussen Sikhs en het Indiase leger. Als reactie hierop werd de Indiase premier Indira Ghandi door lijfwachten gedood.

[6] Van alle romans die in dit essay besproken worden, zijn in de loop der jaren door verscheidene uitgeverijen verschillende edities uitgebracht. Uit pragmatisch oogpunt is gekozen om gebruik te maken van de romans die in bezit waren van de auteur van dit essay zelf. Het handelt hier om uitgaven van The Folio Society.

[7] The Raj Quartet is een roman bestaande uit vier delen: The Jewel in the Crown, The Days of the Scorpion, The Towers of Silence en A Division of the Spoils.

[8] Mukherjee, 2-14

[9] Das, 47

[10] Forster, 162-163

[11] Sayer, 137

[12] Das, 47-51

[13] Forster, 191

[14] Forster, 191-192

[15] Das, 46-74

[16] Forster, 161-162

[17] Das, 51

[18] Das behandelt ook uitgebreid de politieke reactie van zowel Indiase als Britse zijde op Amritsar en de weerslag daarvan in A Passage to India. Maar een weergave hiervan ligt vanwege de proportie en vraagstelling deels buiten het bereik van dit werkstuk.

[19] Mukherjee, 2

[20] Scott, The Towers of Silence, 57

[21] Scott, The Jewel in the Crown, 331

[22] Robb wijst erop dat in de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog het politieke klimaat in Brits India veranderde: Economische stagnatie en politieke restricties, de Britse belofte om aan te sturen op Indiaas zelfbestuur en de woedende reactie onder Islamieten op de ontmanteling van de Ottomaanse staat droegen bij aan een gespannen sfeer.

[23] Scott, The Jewel in the Crown, 61

[24] Scott, The Jewel in the Crown, 286-287

[25] Sayer, 131

[26] Scott, The jewel in the Crown, 223

[27] Scott, The Day of the Scorpion, 61

[28] Scott, A Division of the Spoils, 152-153

[29] Scott, The Towers of Silence, 40

[30] Scott, The Day of the Scorpion, 62-63

[31] Gurnah, 1-3

[32] Rushdie, 32-33

[33] Rushdie, 34

[34] Rushdie, 35-36

[35] Rushdie, 36-37

[36] Moore, 161

[37] Mishra, 18-19

[38] De film Ghandi (1982) van de regisseur Richard Attenborough met Ben Kingsley in de rol van Ghandi en Edward Fox in de rol van generaal Reginald Dyer heeft in de Westerse wereld ongetwijfeld ook een rol gespeeld bij de beeldvorming omtrent Amritsar. Een discussie hierover ligt buiten het bereik van dit essay.

Geplaatst in Uncategorized

W. Somerset Maugham & The quest for freedom

Deze week heb ik Robert Calders biografie over William Somerset Maugham “W. Somerset Maugham & The quest for freedom” uitgelezen. Calder beargumenteert overtuigend dat een centraal thema in het werk van Maugham die van de vrije mens is. Determinisme staat bij Maugham tegenover de vrije wil. Voortdurend tracht de samenleving het individu zijn wil op te leggen. Als ik tien boeken mee zou mogen nemen naar een onbewoond eiland, dan zou ik o.a. kiezen voor Maughams meesterwerk “Of human bondage”.

De meeste mensen kennen dit boek van de speelfilm Se7en met Morgan Freeman en Brad Pitt. Freeman speelt daarin de detective William Somerset, en in een bibliotheekscene vraagt Freeman dan ook aan Pitt of hij even het boek “Of human bondage” wil aangeven. De titel is een verwijzing naar Spinoza’s “Ethica”. Spinoza schreef: “De mens die zich laat leiden door rede laat zich niet leiden door angst.” Emoties daarentegen binden de mens.

Voor Maughams hoofdpersoon in “Of human bondage” gaat het leven uiteindelijk niet over geluk of vrolijkheid, maar om zich te bevrijden van zijn idee van wat anderen zouden doen. In “Of human bondage” betoogt Maugham volgens Calder de belangrijkheid van waarheid, schoonheid en goedheid. Door gebeurtenissen en de acties van anderen te zien als gegeven kan een individu de obsessies en haat van anderen achter zich laten.

De angstige mens is gebonden, wil binden, wordt gebonden. De kracht van introspectie neemt toe bij het loslaten van de angst. Echte tolerantie, niet opgelegde, gebonden tolerantie, komt met acceptatie en begrip van een andermans leven, en pas met het accepteren van je eigen fouten. Het afzien van de rede, de zoektocht naar waarheid, is echter toegeven aan de angst.

Geplaatst in Boeken, Geschiedenis

Wat inhoudelijke twijfels over het boek Een nieuwe wereld van Auke van der Woud

Als in 1869 Friedrich Ratzel zijn Sein und Werden der organischen Welt publiceert, heeft hij pech. Terwijl het boek van de door Van der Woud met regelmaat in zijn boek aangehaalde Ratzel nog bij de drukker ligt, verschijnt Natürliche Schöpfungsgeschichte (1868) van de Duitse bioloog Ernst Haeckel. Ratzel moest erkennen dat Haeckels boek het zelfde onderwerp behandelde en bovendien beter was.[i] Wie was Haeckel? Hij was één van de bekendste wetenschappers in de tweede helft van de 19e eeuw. Zijn invloed op de biologie, psychologie en filosofie, maar zelfs op de architectuur, kan niet snel worden overschat. Haeckel was van mening dat (progressieve) erfelijkheid bestond in twee vormen: indirect Anpassung en direct Anpassung. Indirecte Anpassung hield in dat de sekscellen van ouders veranderingen ondergingen onder invloed van omgevingsprikkels en dat deze eigenschappen aan het nageslacht werden doorgegeven. Directe Anpassung hield in dat gewoontes aangeleerd door ouders als reactie op een veranderende omgeving via de sekscellen doorgegeven werd aan het nageslacht.[ii]

De omgeving in de materialistische en monistische visie van Haeckel beïnvloedde dus zowel op een directe als ook indirecte manier het menselijk lichaam. Citaten die Van der Woud aanhaalt maar niet interpreteert, illustreren deze visie. Lees Max Nordau bijvoorbeeld hoe zenuwziekten ontstonden: “door het onophoudelijke bombardement van prikkels en informatie die door de zintuigen moesten worden verwerkt en de uitputting van het gestel, die daar het gevolg van was, ontstonden zenuwziekten.” Elke Frans trauma, 1789, 1830, 1870, had zijn effect ook op de volgende generatie als gevolg van overerving.[iii] Belangrijk is om te realiseren dat Nordau stelde dat gebrekkige Anpassung van de mens het gevolg was van de versnelling van de technologische ontwikkeling. De beschaafde mens werd door haar technologische vooruitgang volledig overrompeld.[iv] Van der Woud merkt terecht op dat Nordau als medicus en natuurwetenschapper dacht volgens het darwinistische model,[v] maar dat het evolutionaire model van Darwin, Haeckel en Nordau radicaal verschilde met het huidige model licht hij niet toe.

De herontdekking rond 1900 van het werk van Mendel bracht een omslag teweeg in onze mensvisie. De symbiose tussen genetica en darwinisme, het Neo-Darwinisme, stelde namelijk dat de omgeving niet zijn sporen naliet in sekscellen en nageslacht via prikkels of aangeleerd gedrag, dus niet via directe en indirecte Anpassung; veranderingen in het nageslacht waren het gevolg van toevallige mutaties in de genen. Massacommunicatie en massamobiliteit zorgde weliswaar nog steeds voor een overvloed aan prikkels en emoties, maar een direct gevaar voor ons lichaam en onze sekscellen vormden ze niet meer. Een cultuurcriticus uit de jaren dertig zoals Huizing ziet dan ook andere gevaren dan een cultuurcriticus zoals Nordau of Ratzel een paar decennia eerder. Van der Woud haalde naar eigen zeggen Huizinga slechts aan om de erosie van de oude cultuur duidelijk te maken. Ik vraag me echter af of in het boek van Van der Woud niet drie vormen van cultuur voorkomen en niet alleen de oude en de nieuwe cultuur die Van der Woud slechts ziet.

Allereerst heb je de oude cultuur dat beschaving zag als schaven aan jezelf om dan pas de buitenwereld onder handen te nemen. Vervolgens heb je een tijdlang een tussencultuur die een dynamische interactie tussen lichaam en omgeving zag. De materiële en technologische vooruitgang zorgden voor een verbeterde buitenwereld met als resultaat een verbetering van het lichaam en via de sekscellen een verbeterd nageslacht. Critici zoals Nordau wezen echter ook op de gevaren van de vooruitgang voor het lichaam en het menselijk ras. Ten slotte heb je de nieuwe cultuur die bekritiseerd wordt door Huizinga. Deze cultuur lijkt er slechts opuit te zijn het menselijk gedrag, zijn emoties, te willen controleren en stimuleren met behulp van de materiële en technologische vooruitgang. Hoe het ook moge zijn, uiteindelijk blijf ik na het uitlezen van Een nieuwe wereld met vragen zitten: is Van der Wouds verhaal slechts een schitterende projectie van het heden op de periode 1850-1900? Is Van der Woud niet gewoon tekortgeschoten bij zijn “denken volgens de gedachten van de historische subjecten”?

[i] Gerhard H. Müller, ‘Das Koncept der “Allgemeinen Biogeographie” von Friedrich Ratzel (1844-1904) Eine übersicht’, Geographische Zeitschrift 74 (1986) 3-14, aldaar 4.

[ii] Voor een overzicht betreffende de opvattingen van en over Ernst Haeckel zie Robert J. Richards, The Tragic Sense of Life. Ernst Haeckel and the Struggle over Evolutionary Thought (Chicago 2008).

[iii] Auke van der Woud, Een nieuwe wereld Het ontstaan van het moderne Nederland (Amsterdam 2007), aldaar 99.

[iv] Joachim Radkau, Das Zeitalter der Nervosität. Deutschland zwischen Bismarck und Hitler (München 1998), aldaar 174.

[v] Van der Woud, Een nieuwe wereld, aldaar 99.

Overige bronnen: recensies gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 123 (2008) 197-226

Geplaatst in Boeken, Geschiedenis | Tags: , , , ,

Hella S. Haasse: Het woud der verwachting. Over ridders, dichters en koningen…

De historische gebeurtenissen in Frankrijk van begin 15e eeuw vormen het decor van Haasse’s roman Het woud der verwachting. Hoofdrolspelers zijn Louis van Orléans, Valentina Visconti, maar vooral hun zoon Charles van Orléans. Het verhaal speelt zich af in kastelen of paleizen tijdens de regeerperiodes van maar liefst drie Franse koningen: Charles VI, Charles VII en Louis XI. Vier Engelse koningen passeren de revue: Richard II, Henry IV, Henry V en Henry VI. En dan nog eens de vele namen van Bourgondische hertogen en andere familieleden van de Franse koningen…

Isabella van Portugal

Isabella van Portugal door Petrus Christus

Afgelopen zaterdag kwam ik in het Brugse Groeningemuseum oog in oog met een portret van Isabella van Portugal, vergezeld door haar patroonheilige Elisabeth van Hongarije. Haasse: “Isabella, Bourgogne’s nog jonge, derde vrouw, was een dochter van de koning van Portugal en een prinses uit het Huis Lancaster; zij bezat een uitzonderlijke grote politieke belangstelling en had, sedert haar komst in de Bourgondische erflanden, met aandacht de ontwikkeling der binnenlandse en buitenlandse verhoudingen gadegeslagen.” Het schilderij is vervaardigd door de bekende Vlaamse kunstschilder Petrus Christus.

Filips de Goede

Filips de Goede

Filips de Goede in het Groeningemuseum

Links van Isabella hangt haar man, een van de tegenspelers van Charles, Filips van Bourgondië. Haasse moet het portret ooit aanschouwd hebben. Haar schets van Filips is treffend voor de man op het schilderij: “Bourgogne reed langzaam voort, zonder te groeten, maar met een vage glimlach om de lippen. (…) Boven zijn dof-zwarte kledij (hij had sinds de moord op zijn vader de rouw nooit afgelegd) was zijn gezicht strak en bleek van spanning.” Het woud der verwachting is tot de nok toe gevuld met zulke voortreffelijke beschrijvingen van historische figuren, politieke intriges, veldtochten, dichtkunst en overpeinzingen.

Geschiedenisles

Gruuthusemuseum

Gruuthusemuseum

Haasse’s roman presenteert een vloeiende symbiose van chronologische gebeurtenissen in de tijd en verbeelding door de ogen van Charles van Orléans. Met Het woud der verwachting keert de lezer terug naar de Late Middeleeuwen om intens te genieten. Of het nu een miniatuur is in de Lakenhal met een afbeelding van de moord op Jan zonder Vrees op de Brug van Montereau – Philips de Goede was zijn zoon – of een lidmaatschap van een broederschap van Jan de Berry – oudoom van Charles – in het Gruuthusemuseum, Haasse’s werk schenkt de lezer een emotionele blik op die voorwerpen en gebeurtenissen. Geweldig.

Boek gelezen in week 16 en 17 2013: Het woud der verwachting, geschreven door Hella S. Haasse. Exemplaar geleend uit de bieb.

Geplaatst in Boeken, Geschiedenis, Musea | Tags: , , , , ,

George Orwell: Burmese Days. Zelfs de hond wordt doodgeschoten…!

De roman Burmese Days (1934) van George Orwell is minder bekend dan bijvoorbeeld A Passage to India van E.M. Forster of The Raij Quartet van Paul Scott. Na afgelopen weken Burmese Days een paar keer te hebben weggelegd, snap ik wel waarom. Orwell confronteert de lezer met een zwarte, corrupte, oneerlijke wereld. De mens is bij Orwell egocentrisch, dom of beschikt over onvoldoende wilskracht of een zwak karakter.

Burmese Days (Folio Society)

Burmese Days (Folio Society)

Net als Orwell verwijzen ook Forster en Scott naar de bekrompen koloniale visie van de Engelsen in India. Deze visie wordt belichaamd door generaal Dyer die in 1919 in de Punjab te Amritsar het vuur liet openen op een menigte “ongehoorzame” Indiërs om ze een lesje te leren. Het personage Ellis in Burmese Days: “Look at Amritsar. Look how they caved in after that. Dyer knew the stuff to give them. Poor old Dyer!”

Zwart en nog eens zwart

Maar in A Passage to India en The Raij Quartet lopen ten minste nog enkele intelligente, principiële mensen rond die Amritsar verafschuwen. Zij geven de lezer wat lichtpuntjes in de duisternis en hoop op een betere toekomst. Owell gunt de lezer niks. Wil je licht, en dus onwaarheden, dan moet je maar werk van collega-schrijver William J. Locke gaan lezen. Bekrompen hoofdpersonage Elizabeth: “In a general way Michael Arlen was her favourite author, but she was inclined to prefer William J. Locke when she wanted something serious.”

William J. Locke

William J. Locke was de schrijver voor vrouwen gedurende het interbellum. Zijn sentimentele schrijfstijl stond garant voor een fantastisch (liefdes)verhaal en een goede afloop. Bij Orwell wordt zelfs de trouwe kwispelende viervoeter doodgeschoten door zijn eigen baasje om vervolgens snel onopgemerkt te worden begraven.  Burmese Days is een verschrikkelijk goed boek, maar om somber van te worden. Daarom begrijp ik wel dat mensen wegvluchtten in het sentimentele werk van William J. Locke. Ik koos tussentijds voor W.S. Maugham. Zijn werk kon Orwell nog enigszins waarderen…

Boek gelezen in week 13 t/m 15 2013: Burmese Days, geschreven door George Orwell. Exemplaar gekocht via ebay.

Geplaatst in Boeken, Geschiedenis | Tags: , , , , , ,

W. Somerset Maugham: The Painted Veil. Over inzien wie je bent en breken met wat je was…

Vrouwen. Ze zijn ondankbaar. Je kan ze niet vertrouwen. Ze gaan vreemd of dromen ervan. Je kan ze liefhebben, maar dat is niet genoeg. William Somerset Maugham: “One’s not even grateful to the people who love one; if one doesn’t love them, they only bore one.” Maugham was een groots psychologisch schrijver, een mensenkenner. In The Painted Veil weet hij prachtig de vrouw neer te zetten die haar man bedriegt.

Hij komt erachter en is gebroken:  “He was staring straight in front of him, forgetful of the party, and his eyes were filled with a mortal sadness.” Dat voorspelt niks goeds en verraadt de afloop. Hij verliest zichzelf in haat en zelfhaat. Wat volgt is een poging tot wraak. En een boeiend, droevig verhaal, Maugham op zijn best. Maar goede wijn behoeft geen krans. Dus hier slechts kort de hoofdlijnen en hoogtepunten.

"The Painted Veil", W.S. Maugham

“The Painted Veil”, W.S. Maugham

De man

De werkende man wordt bij Maugham gebruikt: “It had always seemed perfectly natural that he should lead a dog’s life in order to provide (…) clothes, holidays and money for odds and ends.” Hij is alleen. Zijn wijsheid zit opgesloten: “In the sanctuary sat the Buddha, remote and sad, wistful, abstracted and faintly smiling.” Man’s leven gaat snel voorbij: “A little smoke lost in the air, that was the life of man.”

De vrouw

Ze droomt. Ze klampt zich vast aan haar illusies: “I wonder if it matters that what they have aimed at is illusion.” In The Painted Veil haalt de harde realiteit de vrouw in. Ze verkrijgt dankzij een gezamenlijke reis en haar inzet voor de medemens inzicht in wie zij is. Ze doorziet de standaard: “You were convinced because you wanted to be. You’re one of those cowards who only think what it’s profitable for them to think.” Ze weet te breken met haar oude zelf. Voor hem komt dit alles te laat… Triest.

Boek gelezen in week 14 2013: The Painted Veil, geschreven door W. Somerset Maugham. Uitgeverij: Penguins Books. Exemplaar gekocht voor 50 cent in liefdadigheidswinkel.

Geplaatst in Boeken | Tags: , ,

Een PvdA-burgemeerster trekt de grens: geen cliëntelisme en geen intimidatie!

Mevrouw Dagmar Oudshoorn is burgemeester van Uitgeest. Ik vraag me af voor hoelang nog. Ze heeft aangegeven haar partij, de PvdA, te gaan verlaten. Ze kon zich niet langer verenigen met de cultuur van cliëntelisme en intimidatie binnen haar partij. Dat die situatie schijnbaar zo ernstig is, dat ze zich moreel gedwongen voelde te breken met een partij waaraan ze zoveel heeft te danken, is toch even schrikken.

Als bestuurder heeft ze zich jarenlang ingezet voor de bevolking in de gemeente Rotterdam. Iedereen was voor haar gelijk. Dat zou geen opmerkelijk statement behoren te zijn. Het non-discriminatie beginsel lijkt me één van de belangrijkste waarden van onze samenleving. In de praktijk brengt dat met zich mee dat je bijvoorbeeld niet discrimineert op basis van etniciteit, geslacht of geaardheid. Naar het oordeel van Oudshoorn gebeurde dat blijkbaar wel in Rotterdam.

Cliëntelisme

Ze werd naar eigen zeggen onder druk gezet, geïntimideerd zelfs, door Turkse partijgenoten om af te wijken van het normale subsidiebeleid. Al langer verschijnen er artikelen in de krant over integriteitsperikelen binnen de PvdA: zo maakte een recent artikel in het NRC melding van de verwevenheid tussen Turkse politici en een Turkse socialistische vereniging en een reïntegratiebureau dat een PvdA-raadslid op de loonlijst had staan.

Nee tegen discriminatie en racisme!

Oudshoorn heeft gelijk als ze stelt dat je er als bestuurder voor iedereen behoort te zijn, niet alleen je eigen achterban, en al helemaal niet als zij slechts selectief samengesteld is op basis van etniciteit. Als aanhanger van democratie en rechtsstaat betreur ik het dat politici die zich inzetten voor onze samenleving en strijden voor het non-discriminatie beginsel worden geïntimideerd. Vreemd dat een politieke partij bereid is dat te tolereren, beangstigend zelfs. Het raakt de funderingen van onze kwetsbare democratische rechtsstaat. Je hoopt op beter.

Geplaatst in Politiek